Pagina 1 van 39 pagina's  1 2 3 >  Last »

#232 DE LEGE ZALEN VAN ARIE B. EEN ONDERZOEK

image

(Voor eerste aflevering even naar beneden scrollen.)

Zaal no. 2
Eetzaal te Leersum

Wie denkt dat eind jaren zestig iedereen in Nederland meedeed aan groepseks, popfestivals en druggebruik, kent niet het verhaal van Marianne de G.
Later heette ze Marianne B. ofwel de vrouw van Arie B. Zij bracht in achtenzestig een week door in De Ginkel te Leersum, onder hoede van Vakantiekinderfeest, Rotterdam.

‘Bleekneuzentoestand, je kent dat wel,’ vertelt Arie.
‘Leg eens uit,’ antwoord ik.
‘Nou. Stadskinderen. Bleek om de neus. Gebrek aan ijzer. Gebrek aan frisse lucht. Gebrek aan alles.’ 
Hoewel Marianne vijfentwintig jaar jonger was dan Arie, ging ze jonger dood. Reden waarom Arie mijn vraag over de eetzaal in Leersum moet beantwoorden.
‘Wat werd er in die grote, aluminium- hondenbakken opgediend?’
‘Pap,’ antwoordt hij.
‘Wat voor pap?’
‘Papperdepap. Pa- pa- pa- pap. Papapapapapap.’
‘Was het havermout of Brinta?’
‘Pap.’
‘Lammetjespap?’
‘Pap-pap-pap. PAP! Papperdepapperdepap. Pap. Pap, pap, pap.’
Hij vervolgt: ‘ Papa-hm- papa,
papa- hm-papa,
papa-hum, papahum,
papahumpapa
papahumpapa,
papahumpapa, - p.’

Ik vraag Arie of we wel moeten doorgaan met het onderzoek als hij zo weinig vertelt waaraan we iets hebben.
‘Je moet tussen de regels doorkijken,’ antwoordt hij nurks.

(wordt vervolgd)


| mv | Mon, 23 Apr 2018 |



#231 DE LEGE ZALEN VAN ARIE B. EEN ONDERZOEK

image

Zaal no. 1
De salon voor de gasten

Zoals menigeen die ontevreden is over de gebeurtenissen in z’n leven, ziet ook Arie B. naderhand een patroon in de ondervonden moeilijkheden. Ze houden verband, meent hij. En als hij er eerder van geweten had, nou!
Ik spreek hem nu hij oud is en krakkemikkig van lijf, maar opstandig als een tiener. Alsof hij puur op karakter het leven alsnog aan zijn kant kan krijgen. De kraalogen in z’n kurkenkop glimmen verontwaardigd als hij begint te vertellen over de lege zalen.

Het patroon werd hem duidelijk op een schip. Naar zijn smaak voer het schip trouwens precies de verkeerde kant op, Rijnopwaarts namelijk, richting Duitsland. Een hospitaalschip van het Nederlandse Rode Kruis, de ms Henry Dunant. Dat schip zou onderweg driemaal de trossen laten vallen en vervolgens linea recta terugvaren naar de kant die volgens de Arie de goede kant is: Nederland.

‘Hoezo verkeerde kant,’ vraag ik hem. Maar daarover wil hij het nu niet hebben, hij wil eerst naar het harteloze hart van zijn verhaal, het deel waarin sprake is van ‘geen drank aan boord.’
‘Vooruit dan maar,’ zeg ik hem, ‘maar probeer er ook iets bij te verzinnen waaraan we iets hebben in opfleurende zin.’ 

Volgens eigen zeggen werd Arie in z’n rolstoel over een gangplank aan boord van het hospitaalschip geduwd. Met z’n goede voet zou hij daarbij tegen de schenen van een vrijwilligster geschopt hebben, een vrouw die voor hem liep.
‘Zo zielig mogelijk riep ik: “Ahhhg”.’

Nadat hij gecontroleerd had of de stunt voldoende was opgemerkt, - hij had er desnoods meer op z’n repertoire -  vroeg de vrijwilligster: ‘Gaat het een beetje, meneer?’
‘Als je op m’n schoot komt zitten, zal ik het in je oor fluisteren,’ had hij geantwoord, maar niet omdat hij een vrijwilligster op schoot wilde. Hij wilde aandacht. ‘Eigenlijk een glas whisky. Om medicinale redenen.’

Hij kwam in de salon voor de gasten, nog voor het welkomstwoord van de kapitein eruit was. ‘Een lege zaal, verdomd als het niet waar is.’ Een gladde, houten vloer, met voldoende ruimte om bedden overheen te schuiven, dat zag hij gelijk. En ook dat er op de tafels planten en bloemen stonden ‘van het soort dat door een bloemist gratis ter beschikking gesteld wordt aan zieken en minder validen.’ ‘Daar wil ik verder niet lullig over doen, maar het greep me aan. Op elke tafel zo’n stom, klein plantje. Te zielig om te groeien. En in het midden een struik afgekloven herfstasters.’ 

Omdat het laat op de dag was, -‘in ziekenhuistermen gesproken’-  vroeg hij in de salon om een whisky. ‘Want dat ondermaanse, kelderse Duitsland, wilde ik niet nuchter doorkruisen.’
Een steward die er volgens Arie betrouwbaar uitzag, ‘en die dus geen verplegingsplannen had,’ weigerde.

Daarop liet Arie een stunt zien die hem een pijnlijke rug zou bezorgen.
In z’n val uit de rolstoel trok hij met opzet een kruk mee die lawaaiig over de vloer rolde en die pas midden in de salon bleef liggen -  naast een koffiekop met schotel - expres door Arie mee geveegd. ‘Als je indruk wilt maken, moet je niet alleen zelf vallen, maar ook iets meeslepen in je val.’   

De steward ging rapen. Arie werd door een vrijwilligster naar zijn bed gerold voor een rustkuur op een van de slaapdekken. Pas bij de grens werd hij wakker. Van zijn voornemen in bed te plassen om aandacht te trekken, kwam niets terecht, want zijn buurman was op hetzelfde idee gekomen: ‘In een bed aan bakboord.’
Het eten ’s avonds was volgens Arie alcoholvrij.
Uiteindelijk vroeg hij om whisky aan een Duitser van de douane die ergens bij Lobith aan boord geklommen was.

‘En dan komt nu mijn opfleurende verzinsel,’ zegt Arie grijnzend met z’n witte kunststof tanden.
‘Die man trok gelijk een heupflacon uit zijn pistoolholster en gaf hem aan mij.’ 

(wordt vervolgd)


| mv | Mon, 16 Apr 2018 |



#226 DE NAIEVE BRUG

image

(Ansichtkaart van een kettingbrug bij Arnhem, J.H. Schaefer’s kunstchromo, Amsterdam, z.j.)

Voor een expositie in IJsland had ik me voorgesteld toe te geven aan een utopie: tekeningen van een brug tussen Noord-Afrika en het continent Europa. Want ik zit hier niet alleen om gezellige plaatjes te schilderen. Op mijn manier doe ik ook aan vooruitzien. Ik denk dan aan het echec van de Maginotlinie, het 700 kilometer lange fortificatiesysteem waarmee de Fransen destijds de Duitsers wilden tegenhouden. Grenzen zijn een illusie. Men loopt eromheen. Dus waarom niet …

Maar nog vóór ik een potlood op een landkaart gezet had, kwamen de eerste reacties. 
‘En hoe denk jij dan dat we al die terroristen gaan tegenhouden, hè?’ ‘Met die naïeve brug van jou?’ ‘Wil jij dat je dochter later een boerka moet dragen?’ ‘Dan komen ook alle gelukzoekers naar het continent, hoe gaan we dat betalen?’ ‘Er is al niet genoeg werk voor de mensen van hier.’
Als ‘trappengeest’ bedenk ik nu pas een antwoord.

Als er een gezamenlijke vijand nodig is om, bijvoorbeeld, feestgangers eendrachtig te stemmen, dan moet je mij vragen.
‘Aha, Vierstra, kom d’r in. We hadden het net over die naïeve brug van jou.’

Dan kom ik, om het feest eendrachtig te maken, met een zelfgeknutselde brug op de proppen, en zeg: ‘Naïef is een bijvoeglijk naamwoord. Het is geen feitelijk argument’.
‘Ja,’ zeggen de feestgangers dan, ‘maar we moeten doen wat we kunnen. Om elk land een Hongaars hek.’
      ‘Ook bij alle kusten? Men klaagt hier al, als er windmolens voor het uitzicht staan.’
‘Maar straks komen ze allemaal! Over die naïeve brug van jou.’

Dus als je een feest geeft dat saai dreigt te worden, en waar de mensen wegens verregaande individualisering geen gemeenschappelijk doel meer hebben, moet je mij vragen. Ik breng heus niet alleen die naïeve brug mee.
Stel bijvoorbeeld, dat de vluchtelingen die nu komen, een voorhoede zijn van een volksverhuizing die op gang komt, als straks, door de klimaatverandering, de droogtegebieden in het midden van Afrika zich uitbreiden. Wat dan? Zet de hapjes en de drankjes alvast klaar, ik hou van Belgisch bier en garnalenkroketten.

 


| mv | Tue, 14 Mar 2017 |



#225 WALDEN REVISITED

image
(Portret van W. tussen de acanthusbladeren in m’n tuin, acryl op papier. Ik maakte het in 2008, naar een mooie foto van Edwin Roelofs.)

Bij het zien van de film Captain Fantastic (2016), speelt het oude verlangen op naar een bestaan ‘far from the madding crowd’. Naar een autarkisch leven, Kleine Huizen op Prairies, naar mijn vroegere held Henry Thoreau (1817-1862) die zich walgend en principieel een dikke twee jaar had teruggetrokken uit de consumptiemaatschappij. Dat deed hij in een hut in een Noord-Amerikaans woud.
Thoureau, afkomstig uit een familie van potlodenmakers, schreef een geweldig boek over zijn bestaan in die hut: Walden, or a Life in the Woods.

Dat hij lang niet zo geïsoleerd leefde als hij deed voorkomen, viel me vroeger niet op. Evenmin bedacht ik toen dat hij zich weliswaar walgend had afgekeerd, maar dat hij niet zo ver was gegaan dat hij dit ongezien wilde ondernemen. Iedereen weet, door dat boek, van zijn walging. En de weg naar de hut van de would be- heremiet, was destijds menigeen bekend: Thoreau ontving er veel bezoek.
Wat me aantrok in Thorerau’s besluit tot afkeer van de maatschappij, wordt het beste verwoord door popmuzikant Eddie Vedder. Hij maakte de muziek bij de film Into the Wild. Ook die film gaat over iemand die het gehad heeft met de hebzuchtige samenleving. Het is een lied dat me diep raakt, net als de film en de gedachte dat je heldhaftig en stoer in je eenzaamheid, leeft van bessen plukken in een omgeving die te mooi is om waar te zijn. Ik begrijp iedere jongere die denkt ‘ik moet jullie niet, ik vertrek naar Alaska’.

Het probleem van zo’n vertrek, in Europa althans, is: waarnaartoe? Onherbergzame wouden, ongerepte kusten, waar vind je die hier? En ook al zei destijds Guus L. tegen mij: ‘Jij moet maar in een hut op de hei gaan wonen,’ (zelf dacht ik meer aan een locatie bij zee), ook in zo’n hut op de hei, kom je in Nederland aanhoudend consumenten tegen. Juist het volk waar je je walgend van wilt afkeren, wandelt dan langs je hut, nietwaar?

Een oplossing meende ik gevonden te hebben in wonen op een schraal begroeid, dun bevolkt Grieks eilandje: Alonissos, een van de Noordelijke Sporaden. Ik had er een keer gekampeerd en dat was goed bevallen. Omdat ik, net als Thoreau, houd van een beetje gezelschap, wist ik enkele mensen te ronselen die met me mee wilden. We schreven een brief aan de eilandburgemeester, ( het was nog in de tijd van papieren post) en die vond het een goed plan. Omdat op genoemd eiland de lokale bevolking moeite had met zichzelf in leven te houden, had ik al wel bedacht dat we daar niet van de natuur konden leven, in de zin van: bessen plukken en wilde planten eten. Van visserij hadden we geen benul, en het zag er niet naar uit dat we ons binnen korte tijd konden omscholen tot afgeharde zeelieden die netten gingen boeten en dergelijke. Vanzelfsprekend hadden we ook geen geld voor een vissersboot. We moesten het doen met wat we wel konden.

Helaas waren dat geen dingen waaraan zo’n eiland dringend behoefte heeft: ik kon heel aardig vertellen over het neoplatonisme in de tweede helft van de achttiende eeuw, bijvoorbeeld. Een ander kon goed stukjes schrijven over stadsvernieuwing en had kennis van zeer oud-Grieks (een opstapje naar hedendaags Grieks, dacht ik), en een volgende kon goed fotograferen.

Op gezette tijden popt die walging van de consumptiemaatschappij weer op. Het echte probleem daarbij is natuurlijk dat ik de principes ontbeer die me moeten stalen in mijn afkeer. Ik ben te slap. Ik kan niet tegen afzien. Er schuilt geen hertendoder in mij, zoals in de film Captain Fantastic. Ik ben een would be-walger: een mooiweerkampeerder. Ik zou zelfs niet in een afgelegen dorp in Noord-Groningen kunnen wonen – stap één, zou je toch denken, naar een leven buiten de consumptiemaatschappij. Zodra het begint te guren en de regen over de graslanden zwiept, zou ik mijn boerenkoolaanplant in de steek laten en naar de eerste de beste stad vluchten.

Tegen mijn vroegere, romantisch-autarkistische persoonlijkheid, kan ik als geruststelling alleen dit zeggen: ik eet nauwelijks vlees, ik kan van weinig geld rondkomen, de zooi die de Aldi et al verkoopt, roept geen enkele begeerte bij me op, en ik doe (bijna) alles met de fiets.


| mv | Fri, 10 Mar 2017 |



#224 IMPROVISATIEKUNSTENAAR

image


Het debat over ‘nationale identiteit’  laat me niet koud. Integendeel. Ik improviseer elke dag een nieuwe identiteit als het moet. Hoewel natuurlijk iedereen tot aan z’n dood moet improviseren, durf ik te beweren dat ik met kop en schouders boven jullie uitsteek als het op improviseren aankomt. Misschien moet ik me eerder ‘improvisatrice’ noemen dan kunstenaar.
Niet voor niets zegt een vriendin als Nicôle over mijn keuken: ‘Het lijkt hier wel een camping’.

Op gewiekste wijze weet ik spullen te gebruiken voor iets anders dan waarvoor ze oorspronkelijk ontworpen zijn. De enige die mij, lokaal, wellicht naar de kroon steekt, is Trubus. Die heeft in z’n achtertuin een jaloersmakend kot opgericht van gevonden hout. Maar de echte improvisator is meestal een vrouw van middelbare leeftijd. Wij kunnen een gevoel voor het absurde (want tragische) in het leven, combineren met het praktische. Waar mannen blijven zoeken naar definitieve oplossingen, weten wij al lang dat die er niet zijn.

Vinden, oprapen, hergebruiken. Monter accepteren van kieren en gaten. Geen voorwerp neem ik serieus. (Behalve de verdovingsnaald van de tandarts.) En wat is ‘nationale identiteit’ anders dan een complex kunstwerk van samengeraapte identiteiten die elkaar niet serieus nemen? De kwestie is deze: je moet het zien.
Niet denken: oh, vroeger was die lamp zo mooi, en nu istie aan het vergaan. Nee. In elk kaduuk centrale verwarmingselement schuilt een tafeltje. En in iedere autochtoon een migrant. Alles is tijdelijk. En nationale identiteit het tijdelijkste van alles.


| mv | Fri, 03 Mar 2017 |



Pagina 1 van 39 pagina's  1 2 3 >  Last »

 
English | Nederlands

Links

Chrystl Rijkeboer

Rotterdamse kunstenaars


Archief

2018
April
2017
March
February
2016
June
May
2015
March
February
January
2014
December
November
July
June
May
March
February
2013
October
June
2012
November
October
September
August
July
June
May
April
March
February
January
2011
December
November
September
August
2010
December
November
September
August
July
June
May
April
January
2009
December
September
July
May
March
February
January
2008
October
September
July
June
May
April
March
February
January
2007
December
November
October
September
July
June
May
April
March
February
January
2006
November
October
September
August
July
June
May
April
March
2005
October
May
March
February
2004
October
September
August
July
June
May