Pagina 1 van 39 pagina's  1 2 3 >  Last »

#230 FEIT EN FICTIE (2)

Bij de bruiloft van Margot wordt ALLES gefilmd. Alles? Bijna alles. De gelegenheidscineast zoomt in op de leukste meisjes en jongens. Hij maakt zwiepende camerabewegingen om toekijkende buren buiten beeld te houden. Hij filmt de kruimels, maar niet de taart; de sokken, maar niet de pumps; de heg maar niet de boom. Enkele bruiloftsgasten filmt hij vanuit onvoordelige hoeken, tegen de onderkant van hun onderkin. Bovendien kan de cineast niet overal op de bruiloft tegelijk zijn. 

De gefilmde tijd is vervolgens net zo langs als de tijd die verstreken is tijdens de bruiloft zelf. Vijftien uur film! Is er, op Margot na, iemand te vinden die naar die bruiloftsfilm gaat kijken?
De bruidegom misschien?

De video wordt gemonteerd en teruggesneden tot een behapbare lengte van twintig minuten – wat de vrienden van Margot nog steeds ‘behoorlijk lang’ vinden. Hoogtepunten dan maar? Twee keer ‘ja’ en een schets in vogelvlucht van de genodigden, en van het feest. Duur: vijf minuten.

Ook zien we nu dat er merkwaardige extra’s zijn toegevoegd. Die lange vlekken! Heeft iedereen een staartje aangenaaid gekregen? Bij mij staat de aangetekende staart prima. (Vooral op die ene rok. Ik kan zo’n staart goed hebben.) Maar anderen komen met klachten: ‘Het lijkt wel of er een drolletje aan m’n broek hangt’.
‘Nee het is echt een staart,’ zegt de gelegenheidscineast, die ook animatiefilmer blijkt te zijn en met het beeldmateriaal heeft zitten experimenteren.

Bij de vijfminutenversie ligt de nadruk op het laatste uur: brakende bezoekers!
Is het eindproduct nog wel een verslag van Margot’s bruiloft te noemen?  In elk geval kan meneer X tien jaar later niet ontkennen dat hij heeft staan kotsen in de heg van Margot’s nieuwe huis. Of wel soms?
Eén ding weten we zeker: Margot is op die dag getrouwd. In de archieven van de burgerlijke stand van het gemeentehuis in de stad R. staat dat duidelijk vermeld. Iedereen kan dat controleren.


| mv | Tue, 14 Nov 2017 |



# 229 FEIT EN FICTIE (1)

Een mevrouw schrijft een boek over haar broer. Eigenlijk over hoe die broer is overleden, en wat daaraan vooraf kan zijn gegaan. Het boek gaat dus meer over een levende, dan over een dode broer. Het probleem daarbij is, dat ze die broer lang niet gezien heeft. En dat ze zit opgescheept met de parafernalia uit zijn nalatenschap.

Ze kan domweg noteren wat ze allemaal in z’n huis aantreft. Maar voor derden, voor mensen die haar broer niet gekend hebben, hoeft dat nog geen beeld op te leveren van wat voor mens die broer misschien was. Iedereen bezit immers een koffiezetapparaat! Zo’n apparaat maakt een mens niet uniek. Daarom interpreteert die mevrouw de overgebleven spullen. Waarom kocht haar broer ze? Wat heeft hij ermee uitgespookt? En ook: wat moet zij ermee doen? Bij de vuilnisbak zetten soms?

Gelukkig is het een mevrouw met een torenhoge verbeeldingskracht. Het is Charlotte Mutsaers. Die heeft voldoende toverstof in voorraad om uit spullen (en herinneringen) een broer tevoorschijn te trekken. Of deze aldus opgeroepen broer precies overeenkomt met de werkelijke broer, is voor haar niet de vraag. Door de spullen uit zijn nalatenschap te interpreteren is ze immers al bezig het beeld van die broer een richting op te sturen, ze kan niet anders doen dan dat. Die broer leeft niet meer. Hij wordt haar idee.

Daar komt bij dat zij als zus van- een betrokkene is in het verhaal over de broer en zijn nagelaten spullen. Zij speelt zelf een personage in haar verhaal. In een roman is dat geen uitzonderlijke situatie.
Het wordt pas uitzonderlijk wanneer Mutsaers dit personage, deze rol, zonder pardon overhevelt naar de werkelijkheid, naar haar persoon, naar wat er in werkelijkheid is voorgevallen. Ze meent hierin geen keuze te hebben. Voor haar is er misschien sprake van een schizofrene situatie als ze haar personage moet scheiden van haar persoon. Ook in eerder werk – Zeepijn -  heeft ze dit betoogd Ze blijft vierkant achter zichzelf en dus achter haar personage staan.

Dat personage heeft echter iets gedaan wat een beetje dom is en strafbaar bovendien. Vervolgens wordt de persoon publiekelijk aan de tand gevoeld voor iets wat haar personage gedaan heeft. 
Franz Kafka zou het niet beter verzonnen kunnen hebben.


| mv | Wed, 08 Nov 2017 |



#226 DE NAIEVE BRUG

image

(Ansichtkaart van een kettingbrug bij Arnhem, J.H. Schaefer’s kunstchromo, Amsterdam, z.j.)

Voor een expositie in IJsland had ik me voorgesteld toe te geven aan een utopie: tekeningen van een brug tussen Noord-Afrika en het continent Europa. Want ik zit hier niet alleen om gezellige plaatjes te schilderen. Op mijn manier doe ik ook aan vooruitzien. Ik denk dan aan het echec van de Maginotlinie, het 700 kilometer lange fortificatiesysteem waarmee de Fransen destijds de Duitsers wilden tegenhouden. Grenzen zijn een illusie. Men loopt eromheen. Dus waarom niet …

Maar nog vóór ik een potlood op een landkaart gezet had, kwamen de eerste reacties. 
‘En hoe denk jij dan dat we al die terroristen gaan tegenhouden, hè?’ ‘Met die naïeve brug van jou?’ ‘Wil jij dat je dochter later een boerka moet dragen?’ ‘Dan komen ook alle gelukzoekers naar het continent, hoe gaan we dat betalen?’ ‘Er is al niet genoeg werk voor de mensen van hier.’
Als ‘trappengeest’ bedenk ik nu pas een antwoord.

Als er een gezamenlijke vijand nodig is om, bijvoorbeeld, feestgangers eendrachtig te stemmen, dan moet je mij vragen.
‘Aha, Vierstra, kom d’r in. We hadden het net over die naïeve brug van jou.’

Dan kom ik, om het feest eendrachtig te maken, met een zelfgeknutselde brug op de proppen, en zeg: ‘Naïef is een bijvoeglijk naamwoord. Het is geen feitelijk argument’.
‘Ja,’ zeggen de feestgangers dan, ‘maar we moeten doen wat we kunnen. Om elk land een Hongaars hek.’
      ‘Ook bij alle kusten? Men klaagt hier al, als er windmolens voor het uitzicht staan.’
‘Maar straks komen ze allemaal! Over die naïeve brug van jou.’

Dus als je een feest geeft dat saai dreigt te worden, en waar de mensen wegens verregaande individualisering geen gemeenschappelijk doel meer hebben, moet je mij vragen. Ik breng heus niet alleen die naïeve brug mee.
Stel bijvoorbeeld, dat de vluchtelingen die nu komen, een voorhoede zijn van een volksverhuizing die op gang komt, als straks, door de klimaatverandering, de droogtegebieden in het midden van Afrika zich uitbreiden. Wat dan? Zet de hapjes en de drankjes alvast klaar, ik hou van Belgisch bier en garnalenkroketten.

 


| mv | Tue, 14 Mar 2017 |



#225 WALDEN REVISITED

image
(Portret van W. tussen de acanthusbladeren in m’n tuin, acryl op papier. Ik maakte het in 2008, naar een mooie foto van Edwin Roelofs.)

Bij het zien van de film Captain Fantastic (2016), speelt het oude verlangen op naar een bestaan ‘far from the madding crowd’. Naar een autarkisch leven, Kleine Huizen op Prairies, naar mijn vroegere held Henry Thoreau (1817-1862) die zich walgend en principieel een dikke twee jaar had teruggetrokken uit de consumptiemaatschappij. Dat deed hij in een hut in een Noord-Amerikaans woud.
Thoureau, afkomstig uit een familie van potlodenmakers, schreef een geweldig boek over zijn bestaan in die hut: Walden, or a Life in the Woods.

Dat hij lang niet zo geïsoleerd leefde als hij deed voorkomen, viel me vroeger niet op. Evenmin bedacht ik toen dat hij zich weliswaar walgend had afgekeerd, maar dat hij niet zo ver was gegaan dat hij dit ongezien wilde ondernemen. Iedereen weet, door dat boek, van zijn walging. En de weg naar de hut van de would be- heremiet, was destijds menigeen bekend: Thoreau ontving er veel bezoek.
Wat me aantrok in Thorerau’s besluit tot afkeer van de maatschappij, wordt het beste verwoord door popmuzikant Eddie Vedder. Hij maakte de muziek bij de film Into the Wild. Ook die film gaat over iemand die het gehad heeft met de hebzuchtige samenleving. Het is een lied dat me diep raakt, net als de film en de gedachte dat je heldhaftig en stoer in je eenzaamheid, leeft van bessen plukken in een omgeving die te mooi is om waar te zijn. Ik begrijp iedere jongere die denkt ‘ik moet jullie niet, ik vertrek naar Alaska’.

Het probleem van zo’n vertrek, in Europa althans, is: waarnaartoe? Onherbergzame wouden, ongerepte kusten, waar vind je die hier? En ook al zei destijds Guus L. tegen mij: ‘Jij moet maar in een hut op de hei gaan wonen,’ (zelf dacht ik meer aan een locatie bij zee), ook in zo’n hut op de hei, kom je in Nederland aanhoudend consumenten tegen. Juist het volk waar je je walgend van wilt afkeren, wandelt dan langs je hut, nietwaar?

Een oplossing meende ik gevonden te hebben in wonen op een schraal begroeid, dun bevolkt Grieks eilandje: Alonissos, een van de Noordelijke Sporaden. Ik had er een keer gekampeerd en dat was goed bevallen. Omdat ik, net als Thoreau, houd van een beetje gezelschap, wist ik enkele mensen te ronselen die met me mee wilden. We schreven een brief aan de eilandburgemeester, ( het was nog in de tijd van papieren post) en die vond het een goed plan. Omdat op genoemd eiland de lokale bevolking moeite had met zichzelf in leven te houden, had ik al wel bedacht dat we daar niet van de natuur konden leven, in de zin van: bessen plukken en wilde planten eten. Van visserij hadden we geen benul, en het zag er niet naar uit dat we ons binnen korte tijd konden omscholen tot afgeharde zeelieden die netten gingen boeten en dergelijke. Vanzelfsprekend hadden we ook geen geld voor een vissersboot. We moesten het doen met wat we wel konden.

Helaas waren dat geen dingen waaraan zo’n eiland dringend behoefte heeft: ik kon heel aardig vertellen over het neoplatonisme in de tweede helft van de achttiende eeuw, bijvoorbeeld. Een ander kon goed stukjes schrijven over stadsvernieuwing en had kennis van zeer oud-Grieks (een opstapje naar hedendaags Grieks, dacht ik), en een volgende kon goed fotograferen.

Op gezette tijden popt die walging van de consumptiemaatschappij weer op. Het echte probleem daarbij is natuurlijk dat ik de principes ontbeer die me moeten stalen in mijn afkeer. Ik ben te slap. Ik kan niet tegen afzien. Er schuilt geen hertendoder in mij, zoals in de film Captain Fantastic. Ik ben een would be-walger: een mooiweerkampeerder. Ik zou zelfs niet in een afgelegen dorp in Noord-Groningen kunnen wonen – stap één, zou je toch denken, naar een leven buiten de consumptiemaatschappij. Zodra het begint te guren en de regen over de graslanden zwiept, zou ik mijn boerenkoolaanplant in de steek laten en naar de eerste de beste stad vluchten.

Tegen mijn vroegere, romantisch-autarkistische persoonlijkheid, kan ik als geruststelling alleen dit zeggen: ik eet nauwelijks vlees, ik kan van weinig geld rondkomen, de zooi die de Aldi et al verkoopt, roept geen enkele begeerte bij me op, en ik doe (bijna) alles met de fiets.


| mv | Fri, 10 Mar 2017 |



#224 IMPROVISATIEKUNSTENAAR

image


Het debat over ‘nationale identiteit’  laat me niet koud. Integendeel. Ik improviseer elke dag een nieuwe identiteit als het moet. Hoewel natuurlijk iedereen tot aan z’n dood moet improviseren, durf ik te beweren dat ik met kop en schouders boven jullie uitsteek als het op improviseren aankomt. Misschien moet ik me eerder ‘improvisatrice’ noemen dan kunstenaar.
Niet voor niets zegt een vriendin als Nicôle over mijn keuken: ‘Het lijkt hier wel een camping’.

Op gewiekste wijze weet ik spullen te gebruiken voor iets anders dan waarvoor ze oorspronkelijk ontworpen zijn. De enige die mij, lokaal, wellicht naar de kroon steekt, is Trubus. Die heeft in z’n achtertuin een jaloersmakend kot opgericht van gevonden hout. Maar de echte improvisator is meestal een vrouw van middelbare leeftijd. Wij kunnen een gevoel voor het absurde (want tragische) in het leven, combineren met het praktische. Waar mannen blijven zoeken naar definitieve oplossingen, weten wij al lang dat die er niet zijn.

Vinden, oprapen, hergebruiken. Monter accepteren van kieren en gaten. Geen voorwerp neem ik serieus. (Behalve de verdovingsnaald van de tandarts.) En wat is ‘nationale identiteit’ anders dan een complex kunstwerk van samengeraapte identiteiten die elkaar niet serieus nemen? De kwestie is deze: je moet het zien.
Niet denken: oh, vroeger was die lamp zo mooi, en nu istie aan het vergaan. Nee. In elk kaduuk centrale verwarmingselement schuilt een tafeltje. En in iedere autochtoon een migrant. Alles is tijdelijk. En nationale identiteit het tijdelijkste van alles.


| mv | Fri, 03 Mar 2017 |



Pagina 1 van 39 pagina's  1 2 3 >  Last »

 
English | Nederlands

Links

Rotterdamse kunstenaars

Chrystl Rijkeboer


Archief

2017
November
March
February
2016
June
May
2015
March
February
January
2014
December
November
July
June
May
March
February
2013
October
June
2012
November
October
September
August
July
June
May
April
March
February
January
2011
December
November
September
August
2010
December
November
September
August
July
June
May
April
January
2009
December
September
July
May
March
February
January
2008
October
September
July
June
May
April
March
February
January
2007
December
November
October
September
July
June
May
April
March
February
January
2006
November
October
September
August
July
June
May
April
March
2005
October
May
March
February
2004
October
September
August
July
June
May