Pagina 1 van 1 pagina's
# 66 BEWEEGREDENEN (MOVING PARTS)DODE DICHTERS GEDICHTENDAG
(Herinnering aan Theo Verhaar.)
(Theo holding my bicycle.)
De eerste keer dat dat we elkaar ontmoetten, keken we allemaal naar een deurbel. De toenmalige burgemeester van Rotterdam (Bram Peper), had ons uitgenodigd voor een bijeenkomst in zijn kantoor op het stadhuis. Ons onderwerp was: de mogelijke oprichting van een Rotterdams en literair tijdschrift - een moeilijke combinatie. Ik zat daar als een specialist in historische letterkunde (vooral die van Rotterdam), er was een vage meneer ( een ‘sailor of industry’ zal ik maar zeggen, die contacten zou verzorgen) en er waren twee dichters, onder wie Theo Verhaar. De andere dichter, Rien Vroegindewei, was de oudste in het gezelschap. Waarom de burgemeester erbij zat, weet ik niet meer. Wat ik me nog wel herrinner, is dat we naar een deurbel keken die vast zat aan het bureau van de burgemeester. Hij drukte erop en een stadhuisbediende kwam binnen met koffie en taartjes.
De tweede keer dat ik Theo zag, zaten we in de kleine, ommuurde stadstuin achter de boekwinkel van Maria Heiden. Hoewel het mooi weer was, had hij een paraplu bij zich. Daarmee prikte hij nu en dan in de aarde tussen de stoeptegels, terwijl hij energiek discussieerde over wat er allemaal beslist niet mocht in het tijdschrift in oprichting. Ook de anderen wisten dingetjes op te sommen en Theo beweerde nadrukkelijk dat het ‘t beste zou zijn als de artikelen geschreven zouden worden door niemand minder dan Kapucinski. Of door iemand die daar, wat stijl betreft, veel van weg had. Ik zweeg, want dit was niet het eerste periodiek in wording waarvan ik een mogelijk nog lang uit te stellen geboorte meemaakte. Nadien merkte hij bij een andere gelegenheid op:’ Ik dacht dat je nogal saai was’.
‘Dat ben ik ook’, antwoordde ik.
‘Okay, okay’, hij begreep het al.
Ik was toen een (bijna postume) student aan de avondacademie en werkte overdag als redacteur; Hij was dichter, een gesjeesde filosofiestudent en vader. We gingen graag uit drinken in de Kralingse cafe’s in onze buurt, waar hij dan dadelijk over z’n (nog kleine) kinderen begon. Omdat ik zelf geen kinderen had, kon ik niet begrijpen dat hij zo werd geboeid door hun gedragingen, en zo in de ban was van hun levens. Dus zei ik streng:’ Je mag dertig minuten over je kinderen praten en dan gaan we verder over serieuze onderwerpen’. Die andere twee onderwerpen waren taal en beeldende kunst, versierd, en vaak ondergesneeuwd door roddels. Hij raadde me aan Hans Tentije te lezen, een Nederlandstalige dichter, en Craig Raine die zojuist een familiealbum bij elkaar had gedicht. Bij zo’n gelegenheid klaagde hij dat hij ‘een klankbord miste’. ‘Wil jij niet wat van m’n werk lezen, jij bent een po"ezielezer’. Ik nam z’n eerste bundel door: ‘Stof bedekt niet’. Zijn hermetische, in eerste aanleg weinig uitnodigende blokjes tekst, drukten taaie rechthoeken op de bladzijden. Veel wit omkranste de gekrompen zinnen, waarin hij de lezer belangrijke, maar gecodeerde mededelingen doet over verloren steden als Dresden en over ‘de dag die wakker wordt/ niet ik’.
Niet bloemrijk, maar uitgebeend. In de bundel Nawakker (Harmonie, 1998) publiceerde hij een gedicht over mijn werk:
Schrijvend onder het raam
flitsen gedachten, maken aarde,
staat de scharensliep
naast zijn kathedraal van scharen.
Knippen is geloven
dat geschikte materialen
contactarm zijn, ijl en koud,
hoog verheven boven hout.
——-
Uit: Stof bedekt niet, komt het volgende gedicht:
Elke dag pauzeer ik ‘n moment.
Want gedachten letten niet op tijd.
Ik sta op mijn kop
en ben in gesprek
met de wijzers van de klok.
Twee benen in de lucht
die onstpannen gesticuleren
alsof ze zonder grondregel kunnen balanceren.
—————
Hij had een flinke en gestage productie die slechts onderbroken werd door z’n kinderen en door gokactiviteiten in het casino. Daar liet hij hij maandelijks aanzienlijke bedragen achter onder het motto:’ Echte gokkers gokken om te verliezen.’
‘Alsjeblieft’, riep ik begerig, ‘ik zet wel een roulettetafel bij mij in huis, ik ben de bank wel’.
‘Ja, dat zegt iedereen’, zei hij.
‘Maar nergens valt zoveel te verliezen als in mijn huis’ , beweerde ik opschepperig. ‘Het is een typische verliezersomgeving, dat is door de jaren heen bewezen. Een feit.’
Hij was desondanks liever verliezer in het casino, dat maakte het officieler, en spannender denk ik.
Er kwam een tijd dat we elkaar weinig zagen. Hij had toenemend last van z’n knie, ik had zo m’n eigen gedoe, waardoor ik twee keer vlak na elkaar op het kerkhof moest zijn. ‘Gelukkig heb ik alleen maar last van m’n knie.’ Zei Theo.
Alleen wie erbij was, en de weermannen, zullen het geloven: op het moment dat hij begraven werd, was er een zonsverduistering. Er waren idioot veel mensen op zijn begrafenis; ik denk wel zo’n driehonderd. Ik realiseerde me plotseling dat hij in de paar jaar dat we elkaar kenden een soort bekendheid was geworden. Menigeen zette een speciaal voor de eclips meegebrachte bril op toen de kist in het graf zonk. Theo zou daar een kort en afdoend gedicht over hebben kunnen schrijven. Ik probeer het niet eens.
Pagina 1 van 1 pagina's
