Pagina 1 van 6 pagina's  1 2 3 >  Last »

#260 KASPER & DE TEHUIZEN (VERVOLG HOOFDSTUK 3)

NACHTMERRIES

image
(Kasper zestien jaar.)

Intussen in Het Anker

image image
                                                                                                                       

image


image
’ Je broer heeft een stukje speltherapie nodig.’  ’ De slaapwacht hoorde hem helemaal tot in de bijkeuken bij de aardappelschiller.’

image
’ Hij krijgt nu elke avond een tabletje voor het slapen gaan.’

image
’ Dan spreken we dus af dat hij regelmatig door jou gehaald wordt. Rust. Orde. Regelmaat.’

(volgende keer: in en om het rijtjeshuis.)


| mv | Fri, 14 Dec 2018 |



#259 KASPER & DE TEHUIZEN (vervolg hoofdstuk 3)

Hoe het gebeurde en gedachten over het cijfer nul

image
Dit was geen buurmeisje dat m’n oude poppenhuis kwam ophalen.

image
‘Ze zijn er nog niet.’

image
‘We willen alleen je vriend spreken. De buurman zei dat hij hier logeert.’

Daarna moest Suï meerdere keren aan m’n jongste broer en mij vertellen wat er gebeurd was. Hij vertelde zo verward dat we eerst dachten dat onze moeder nog leefde en dat alleen onze vader in de auto verongelukt was.

image

image
In de jaren zeventig was iemand pas met eenentwintig jaar voor de wet volwassen. Daarom mocht m’n jongste broer (14) van de Kinderbescherming niet thuis blijven wonen; hij vertrok naar familie in het noorden van het land. Ik was net achttien geworden en bleef alleen achter in ons ouderlijk huis. Ik moest eindexamen middelbare school doen.

We kregen alle drie een voogd en een toeziend voogd. Aan Kasper werd door de Kinderbescherming niet gevraagd wie hij als voogd wilde; hij kreeg er domweg een toegewezen. In elk geval kwam hij met een groepsleider van Het Anker naar de crematie. Daarna ging hij met dezelfde groepsleider terug naar Het Anker.

image

In de decennia die volgden, zou (tot op heden) niemand van onze familie, inclusief voogd en voogdes Kasper in een tehuis bezoeken, hem een keer ophalen of hem een verjaardagskaart sturen. Hoewel. Er is één keer een collega van mijn vader bij Kasper langs geweest. Maar deze man werd niet door m’n broer herkend.

Ik heb lang de tijd gehad na te denken over die nul bezoeken. Kan ik daarom van mijzelf een filosofisch onderbouwd antwoord op het cijfer ‘nul’ verwachten? Kun je de nul eigenlijk wel een ‘cijfer’ noemen? Of is dit cijfer meer een teken dan een getal?
Een vroegere wiskundeleraar, die verzot was op het cijfer ‘nul’, heb ik eens horen zeggen: ‘Daar komen nul indianen aan.’ Ook over die zin heb ik nagedacht.

‘Er komen géén indianen aan,’ zou logischer zijn geweest als antwoord op de vraag: ‘Hoeveel indianen komen eraan?’ Maar hij zei ‘nul’ omdat hij dol was op de ontelbare mogelijkheden die dat getal biedt. Zet er een ‘1’ voor en er staat plotseling ‘10’, zet daar nog een nul achter en je hebt ‘100’. In de wiskunde kun je veel uitrichten met een nul en een één.

Deze strip is echter geen antwoord op genoemde nul. Wat kun je zeggen tegen een nul? (Behalve, je rijmt op ‘lul’, of ‘flauwekul’.) Nul betekent niets in Kaspers leven.
Maar ik weet niet of herinneringen zijn hart besturen, zoals dat bij mij het geval is. Afwezigheid kan minstens zoveel invloed hebben op een humeur als aanwezigheid. Familie zegt hem niks, omdat hij nooit meer iemand van hen gezien heeft. Ook vroegere goede vrienden van mijn ouders zag hij nooit meer.

Een enkeling voelde zich hierover duizend jaar na dato schuldig en stuurde mij een ansichtkaart met de tekst: ‘Wat jammer dat we destijds niet meer voor jou konden betekenen.’
Wat kan ik daarop zeggen?
Het is gebleken dat we zonder kunnen.

(Volgende keer: hoe Suï op zijn post bleef, nachtmerries van Kasper, angsten in en om een rijtjeshuis.)


| mv | Wed, 05 Dec 2018 |



#258 KASPER & DE TEHUIZEN HOOFDSTUK 3

HOE HET GEBEURDE

image

Vanaf hier verlaten we voor de duur van een half hoofdstuk de zogenaamde werkelijkheid. We worden opgescheept met het humeur van drie narrige tussenpersonen: engelen. Tevens zal er een traditionele Griekse rei (van ratten) optreden, zoals dat hoort in een tragedie.

Die tussenpersonen bestaan overigens niet. In het echt geloof ik niet in engelen en de enige tussenpersonen die ik erken, hebben gedaanten tussen man en vrouw in.

In dit stripverhaal berust elke overeenkomst tussen de engelen en werkelijk bestaand hebbende personen en/of nog bestaande personen op een misverstand. Ik heb de engelen even getekend om door dit hoofdstuk te raken. Al te veel werkelijkheid is schadelijk voor mens en dier.

De tussenpersonen zijn machteloos als mensen. Op één kunstje na.
Ze kunnen de tijd ongeveer twintig minuten tegenhouden. (Dat is precies zo lang als de eeuwigheid duurt.)

Wie dit bedenkelijk vindt en meent dat ik grappen maak ten koste van de eeuwigheid, die moet zich maar eens voorstellen hoe heerlijk het is om nog twintig minuten van niets te weten.
In die tijd kun je slapen, eten, vrijen, lezen – wat je maar wilt. Toch?

image

image


image

image

image

image

image

image

image

image


| mv | Fri, 23 Nov 2018 |



#257 KASPER & DE TEHUIZEN/ HOOFDSTUK 2 (vervolg)

DE HELD EN EEN KLEINE GESCHIEDENISLES

image

Enfin. De held.
Terwijl bij ons thuis de kamer van Kasper vol en leeg bleef tegelijk, ontmoette ik Bok-Suï-Tan. Is het van belang in te gaan op zijn afkomst? Doet dat ertoe? Is het niet vermoeiend steeds weer afkomst erbij te halen? Hoeveel jaar na dato is het wel niet, huh?

Sommigen dachten dat Suï een indiaan was, of een Japanner. Dat was hij geen van beide. Suï was een Chinees-Indische man. Zijn vader was een peranakan, een Chinees geboren in Nederlands-Indië uit Chinese ouders. Z’n moeder was een Europese uit Duitsland. Ook over haar zijn boeiende dingen te vermelden. Zoals het feit dat ze met haar familie al vòòr WOII Duitsland ontvlucht was, waar het werk in hun juwelierswinkel gaandeweg onmogelijk was geworden. Maar dat verhaal moet Suï maar eens zelf vertellen aan wie het horen wil; deze strip puilt toch al te ver uit naar het verleden.

Zelf was hij ruim na de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië geboren. In ’53. Ik weet niet eens meer of dat in Nederland was, of in Indonesië waar hij als kleuter gewoond heeft in een buitenwijk van een stad op Java. Van het leven daar herinnerde hij zich weinig.

Des te meer wist hij later nog van het kolossale passagiersschip waarop hij met z’n moeder en twee van zijn broers naar Nederland was gekomen. Zijn vader was hen als verstekeling achterna gereisd op een ander schip. Dat weet ik, omdat z’n vader me een keer een krantenknipseltje had laten zien. Uit z’n portemonnee trok hij toen een voddig knipsel, afkomstig uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Daarin stond dat het ongehoord was dat de heer T. tot Nederland was toegelaten omdat zijn vrouw en kinderen hier al waren, terwijl twee andere verstekelingen terug ‘naar huis’ waren gestuurd.
(De aanhalingstekens zijn van mij. Want wat noem je ‘thuis’ in deze context?)

image

Ik was zeker niet Suï’s eerste vriendin. Maar wel de eerste van wie hij de voordeursleutel kreeg en bij wie hij in de weekenden bleef logeren. Ik begon al op m’n zeventiende De Pil te slikken. Dat mocht. Wij waren een hip gezin.

image

We reden langs alle adressen waar we als kinderen (in Nederland) gewoond hadden. Zijn eerste adres was een contractpension in het oosten van het land. Heimwee naar de vroegere koloniale omstandigheden, ‘tempo doeloe’ zei hem trouwens helemaal niks. Zijn familie was ultramodern, bijna Amerikaans in mijn ogen. Grote koelkast, meerdere auto’s, sportief en maatschappelijk succesvol.

image
“M’n moeder vond het er vreselijk vanwege de kleine kamer. Maar m’n broers en ik vonden het geweldig. Er was een golfslagbad in het bos!

image
“En ik kreeg in Nederland van Sinterklaas een speelgoed benzinepompje van metaal.”
“Tjonge jonge.”
(We deelden toen nog een gevoel voor een merkwaardig soort humor.)
“Ha, ha, ha! Een metalen benzinepompje!”

image

Suï fotografeerde alles wat los en vast zat. De laatste foto’s die er bestaan van ons voltallige gezin, zijn afkomstig van zijn camera.

Misschien vraagt iemand zich nu af: hoezo held? Is iemand die houdt van dansen, fotograferen en motorrijden een held? Is dat een stomme mop soms? Maar welk woord moet ik dan gebruiken? “De aanwezige?”
Om een held te worden heb je eerst een extreme situatie nodig. Een plotselinge gebeurtenis waarmee niemand zich raad weet en die ver strekkende gevolgen heeft voor de levens van alle betrokkenen. Er moet een vacature zijn die niet eenvoudig opgevuld wordt door voor de hand liggende personen.

De meeste mensen, weet ik nu, zijn geen helden. De meeste mensen zijn onverschillig. Of bang. Het probleem is niet, om de schrijver Joseph Roth aan te halen, dat ze geen hart hebben. Het probleem is dat hun harten te klein zijn.

(Volgende keer: Wat er gebeurde en daarna).


| mv | Fri, 16 Nov 2018 |



#KASPER & DE TEHUIZEN

Onderzoek (3)
Het varken

Ja, die held, die komt eraan hoor. Maar er kwam iets tussendoor, een app-gesprek. Blauwalgig van het licht appte ik nieuwsgierig terug. Om erachter te komen wat m’n broer precies heeft, doe ik al enige tijd onderzoek naar mijn familie. Daarbij probeer ik ook feiten boven tafel te halen over het leven van mijn moeder. Wat was de reden dat m’n broers en ik haar familie niet kenden?

De conversatie ging over bidden. Er is voor m’n broers en mij veel gebeden, met name uit een gebied rond Meppel. Daar heb ik nooit iets van gemerkt, appte ik – niet om boos te doen, maar ik heb er gewoon niets van meegekregen. Dat het daarginds hoop schiep dat deze activiteit positieve gevolgen zou hebben, daar kan ik weinig aan doen.

Tegelijk bedacht ik dat het wellicht slechter met ons zou zijn gegaan als ze niet gebeden hadden. Op dit terrein hou ik weinig voor onmogelijk. Magisch denken, of misschien kan ik beter zeggen: voor de toekomst uit lopen, is mij niet vreemd. Dat weet ik uit de tijd dat ik zwanger was.

Waar vriendinnen zich te buiten gingen aan babyspullen kopen, in afwachting van een blijde geboorte, had ik voor de zekerheid niets gekocht. Geen maxi-cosy, geen buggy, geen wandelwagen, geen kleertjes, geen piepkleine sokjes. Want: stel dat het misgaat. Dan zou ik ook nog eens voor de verdrietige taak staan om al die lieve dingen terug te brengen naar de winkels, toch? Ik had wel een wieg van iemand geleend, maar die kon à la minuut retour.  En mocht ik zelf sneven, dan had ik voor m’n broer Kasper het nodige geregeld.
Een feest mag pas beginnen als het feest is. Niet eerder.

Aan de overkant van het gesprek begon het nu snel eb te worden, hoewel er kort daarvoor een misverstand uit de weg was geruimd. Hoe kan het, had ik gevraagd, dat mijn moeder twéé jongste zussen had?  Het leek er een beetje op dat er evenveel jongste zussen rondliepen als er diepste punten van Nederland zijn, of boekenkisten van Hugo de Groot.  Maar nee. Zij was een jongste zus uit het tweede huwelijk van mijn onbekende oma. Aha.

‘Een hele lieve vrouw, je oma,’ werd er geappt. ‘Een schat.’ 

Ik weet dat wat ik nu ga schrijven, voor het gros raar klinkt. Ik meen namelijk dat het bij herhaling benadrukken van iemands positieve kwaliteiten, duidt op het verzwijgen van enge kwaliteiten.

Ik vroeg waarom mijn moeder en haar broers hun eigen moeder nooit meer hadden willen zien, nadat ze als kinderen uit huis geplaatst waren. Alweer een misverstand. Mijn moeder had nog in 1946 een kerstboom naar haar moeder gebracht. Deze was gezamenlijk opgetuigd.

Maar waarom wilde ze dan ná dat feestelijke optuigen haar moeder nooit meer zien? Ik somde vervolgens m’n bevindingen op van het onderzoek naar mijn familie van moederskant, tot nu toe.
‘Degene die dat zegt is een varken,’ werd er geappt. ‘Wie dat verteld heeft, is de grootste schoft die ooit op deze aarde heeft rond gelopen en als er een God bestaat, moet die dat varken nog bestraffen.’  Streng appte ik dat het nodige in de archieven van de weeskamers te Zwolle is terug te vinden. (Omdat ik deze gegevens dubbel wil checken, voor zover mogelijk, zal ik ze nu nog niet vermelden.)

Bovendien kan iemand (een vrouw net zo goed als een man) lief zijn tegen de een, maar onverschillig, grof of zelfs gewelddadig tegen de ander. Dat laatste appte ik niet, want dat veronderstel ik als algemeen bekend materiaal. Ook sluit ik niet uit dat zeker gedrag kan voortkomen uit een psychische aandoening, of uit griezelige, eerdere omstandigheden. Het hoeft niet per se om een haveloos karakter ‘an sich’ te gaan. En dat armoede de tragedie in gang zette, is me wel duidelijk.

Je oma heeft veel voor jou en je broers gebeden,’ was het antwoord. Het woord ‘bitter’ werd geappt. Zij, daarginds, was blij dat zij het leven omarmde en niet bitter was zoals ik.


| mv | Wed, 07 Nov 2018 |



Pagina 1 van 6 pagina's  1 2 3 >  Last »

 
English | Nederlands

Links

Chrystl Rijkeboer

Rotterdamse kunstenaars


Archief

2018
December
November
October
September
August
July
2012
March
2009
July